Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB9688

Datum uitspraak2007-11-29
Datum gepubliceerd2007-12-10
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/6933 WAZ
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herhaalde aanvraag WAO-uitkering. Geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.


Uitspraak

05/6933 WAZ Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 27 oktober 2005, 05/1033 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 29 november 2007 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingezonden, waarop het Uwv een reactie heeft gegeven. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2007. Voor appellant is verschenen zijn gemachtigde mr. J.C. Buur, wonende te Goirle. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.F. Bergman. II. OVERWEGINGEN Appellant is werkzaam geweest als zelfstandig ondernemer. Hij heeft vanwege zijn rugklachten diverse keren een uitkering aangevraagd ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), dan wel de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Bij besluiten van 4 april 1996, 25 april 1997 en 31 augustus 1999 is hem een uitkering geweigerd omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid op respectievelijk 24 september 1993, 30 augustus 1996 en 31 december 1998 op minder dan 25% werd gesteld. Bij besluit van 28 november 2002 heeft het Uwv hem met ingang van 23 juli 2001 een WAZ-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Appellant heeft zich met ingang van 17 mei 2004 ziek gemeld. Nadien heeft hij aangegeven dat het begin van zijn ziekte ligt in 1992 en daarna alleen maar is toegenomen. Het Uwv heeft hem verzocht om aan te geven of hij zich meldt met toegenomen klachten na de laatste beoordeling of dat hij wil dat er wordt teruggekomen op de voorgaande beslissingen. Uit de reactie van appellant blijkt dat het laatste het geval is. Bij besluit van 8 september 2004 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat niet wordt teruggekomen op de beslissingen van 4 april 1996, 25 april 1997, 31 augustus 1999 en 28 november 2002 omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die ertoe leiden dat die beslissingen onjuist zouden zijn. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 21 februari 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv er op gewezen dat op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aanvrager, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te melden. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. Appellant heeft brieven ingezonden van de neurochirurg W.P. Vandertop van 28 januari 2003 en van de psychiater A.M. Eeckhout van 17 augustus 2004. De aan het Uwv verbonden verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts zijn van mening dat uit die brieven geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn af te leiden die aanleiding zouden moeten geven om terug te komen op de eerdere beslissingen. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv onderschreven. Ook het feit dat ter zitting is aangegeven dat appellant thans onder behandeling staat kan niet worden beschouwd als een nieuw feit of nieuwe omstandigheid omdat die informatie betrekking heeft op de situatie na de data in geding. De Raad stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. In hoger beroep zijn nog enkele nieuwe medische stukken ingezonden die betrekking hebben op de psychische en lichamelijke klachten van appellant. De bezwaarverzekeringsarts L.T.M. Lenders heeft in een reactie van 29 augustus 2007 aangegeven dat die stukken geen aanwijzingen geven voor nieuwe medische feiten of omstandigheden ten tijde van de verschillende data in geding. De Raad gaat aan deze na het bestreden besluit bekend geworden stukken voorbij, alleen al omdat daaromtrent in het bestreden besluit geen beslissing kon worden genomen. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H.G. Rottier en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 november 2007. (get.) K.J.S. Spaas. (get.) I.R.A. van Raaij. JL